Een van de eerste vliegeniers was hij, Jan Olieslagers. Deze drie Hillegomse jongens trokken erop uit om hem te zien opstijgen in Haarlem. Een droom, want zij moesten zelf alle drie al op zeer jonge leeftijd aan het werk. Geen pretje! Maar zij koesteren ook vele mooie herinneringen aan vroeger. Zoals het luisteren naar de eerste radio-uitzending of de dag dat er elektrisch licht kwam. Meegenieten met de heren De Rooy, Soet en Lammens? Lees hieronder verder.

De heren W. de Rooy, H. Soet en J. Lammens waren samen bijna 270 jaar oud toen ze in 1994 hun verhaal vertelden in verzorgingshuis Parkwijk. In hun eentje vertellen vonden ze minder gezellig en ze vulden elkaar aan. Soet ging enkele jaren later nog eens uitgebreider in op zijn jeugdherinneringen.Sinds hun geboorte waren de heren W. de Rooy, H. Soet en J. Lammens Hillegommers, maar hun ouderlijk huis stond ver uit elkaar. De Rooy woonde aan de 3e Loosterweg, Lammens aan de Weeresteinstraat en Soet aan de Oosteinderlaan. ‘Wij hadden thuis twee varkens,’ herinnert De Rooy zich. ‘Eén voor de bakker en één voor het huis.’ Dat ‘voor de bakker’ was letterlijk waar, want die leverde meel en kreeg daarvoor varkensvlees in ruil. Kopen met gesloten beurzen dus. ‘Later toen we aan de Prelleweg woonden hielden we geiten. Die moest ik voor ik naar school ging naar het Veenenburgerbos brengen en daar aan de ketting leggen. Wat had ik een hekel aan die rotgeiten!’
De Prelleweg zal men vergeefs op de kaart van Hillegom zoeken. Oudere Hillegommers spreken de naam Parallelweg vaak op deze manier uit.Op zijn twaalfde jaar werd De Rooy keukenjongen bij een baas. ‘Ik moest boodschappen doen, schoenen poetsen, emmers water halen,’ somt hij op. En ook zo’n klein ventje moest werken van 7 tot 7! ‘We kregen nooit geen vrij, alleen soms tussen Kerst en Nieuwjaar.’ De vader van Lammens was bakker en dus bracht zijn zoon al op tienjarige leeftijd met een mandje aan de arm brood naar de klanten. Vóór schooltijd. Hij moest van school toen hij elf was en helpen in de bakkerij. ‘Eigenlijk had ik graag zanger willen worden.’ Maar lieverkoekjes werden in de bakkerij niet gebakken, ook niet voor Soet.

‘De knapste jongen van de klas’ noemde zijn onderwijzer hem. ‘En onderwijzer worden was in die tijd het hoogste wat aan studie weggelegd was voor een arbeiderskind. Maar ik moest bij een baas gaan werken en ze vonden me daar onhandelbaar.’ Geen wonder! De eerste twee jaar werkte Soet dan ook zeven of acht bazen af. ‘Ik wilde eigenlijk helemaal niet werken. Mijn wereld was schoolgaan, leren. Tenslotte kreeg ik een opleiding als hyacintenvakman en dat betekende ook wel iets.’ Aan de Oosteinderlaan, waar hij woonde, was het leven erg stil in zijn jongensjaren. Nauwelijks geluiden, soms eens een passerende boerenkar. Als er een auto langskwam liep iedereen uit, zo zeldzaam was dat. De anderen weten dat ook nog goed. ‘Wij hadden petroleumverlichting en gebruikten pompwater. Boven was geen licht. Als we naar bed gingen moesten we een lampje meenemen.’

De eerste uitzending van de Radiocentrale herinnert De Rooy zich ook nog als de dag van gisteren. ‘Dat moet rond 1928 geweest zijn en we vonden het hartstikke leuk!’ ‘Nou, wij waren de vierde met elektrisch licht in Hillegom!’ vertelt Lammens trots.
De naam van Jan Olieslagers, een van de eerste vliegers, kennen ze alle drie nog goed. Vooral omdat ze naar Haarlem liepen om hem daar met zijn machine te zien opstijgen. Maar dat ging helaas niet door. Te voet onverrichterzake terug naar Hillegom dus! Maar lopen waren ze wel gewend in die jaren. Soet weet nog een bekend versje van toen: ‘Als Olieslagers dood is – dan krijgen we misschien – de helft van zijn centen – en ook zijn vliegmachien!’
Vliegen nu? Ze zijn er niet op tegen. De Rooy is al eens naar Australië gevlogen. ‘Maar je ziet niks!’ Soet herinnert zich met nostalgie de Dakota’s van kort na de oorlog. ‘Daar vloog je in met een man of vijftien. Ik vond het heel interessant.’ Als verschil met vroeger noemen ze dezelfde dingen op: er was vroeger meer onderlinge hulp en meer medeleven met elkaar. Maar ook meer geroddel! merkt Soet realistisch op. ‘Het was leuk nog eens te praten over vroeger!’, zeggen ze tevreden bij het afscheid. Want wat je beleefd hebt in je jonge jaren vergeet je je leven lang niet meer.