Tegenover Den Weeligenberg, aan de Hillegommer Tol, ligt het ouderlijk huis van Arie Warmerdam en zijn veertien broers en zusters. Het huis was wel wat klein voor zestien mensen en zeven geiten en dus verhuisde het gezin ‘naar de stad’, dat wil zeggen naar Hillegom. Een groot huis aan de Stationsweg met een mooie pomp, want kraanwater, daar deed vader Warmerdam niet aan. Of vader nog bijdraaide, lees je hieronder in het verhaal van Arie Warmerdam.

Arie Warmerdam werd geboren aan De Tol, de buurt in het noorden van Hillegom aan de Haarlemmerstraat. Toen hij zijn verhaal vertelde, woonde hij in een van de oude huisjes van Bloemhof achter verzorgingshuis Bloemswaard. Later verhuisde hij tot zijn grote genoegen, na een periode in een noodwoning, naar het nieuwe Bloemhof.Arie Warmerdam was 82 toen hij zijn verhaal vertelde. Hij is geboren aan de Hillegommer Tol in 1912. Zijn ouderlijk huis staat nog steeds tegenover Den Weeligenberg. Het gezin Warmerdam telde veertien broers en zusters, waarvan er (in 1994) nog negen in leven zijn. ‘Elk jaar kwam de ooievaar. Vader zei: kinderen, het is raar maar waar. ’t Is altijd dezelfde ooievaar!’
Arie herinnert zich zijn jeugd als heel plezierig. ‘Wij gingen op de molen in Bennebroek aan als die draaide. Die stond op de scheiding met boer Granneman. Het was een watermolen met schepraderen en we mochten van Ome Dorus, de molenaar, altijd binnenkomen. Hij leerde ons als jongens kaarten.’
De Molensloot is er nog. Warmerdam ging er een paar jaar geleden eens kijken en constateerde, dat de sloot bijna tot het midden dichtgegroeid was met riet. ‘Vroeger zag je daar vissen op de bodem zwemmen, zo helder was dat water. Als we erg dorstig waren, dronken we gewoon uit de sloot.’Aan die Molensloot in Bennebroek zijn nog andere herinneringen verbonden. ‘Ik was er eens gaan zwemmen en mijn oma zag me. Ze maakte groot misbaar, want ik had geen zwembroek aan. ’s Avonds moest ik bij haar op het matje komen.’ Het liep allemaal vrij goed af, want oma prees haar kleinzoon omdat hij zo goed zwom. Maar hij moest wel een zwembroek gaan kopen en kreeg daarvoor een vierkant zilveren stuivertje. Aries keus viel op een badkostuum met blauwe en rode streepjes.

Zijn vader bezat zeven geiten. De kinderen kregen dus veel geitenmelk. Alleen de oudste dochter had er een hekel aan en dronk dat nooit, zodat haar vader tegen haar zei: ‘Jij wordt zo geen flink wijf.’ Dat viel in praktijk aardig mee, want zus Warmerdam is drieëntachtig geworden.
Het huis aan de Tol werd te klein en dus ging het gezin naar een andere woning. ‘We mochten verhuizen met de boerenbrik van Ome Nier Zandvliet. Moeder met de kleintjes tussen het huisraad. En wij groten hand in hand lopend, naar de stad!’ Daarmee werd het centrum van Hillegom bedoeld.
Het huis aan de Stationsweg dat ze betrokken was groot en bezat een mooie pomp. Waterleiding vond vader Warmerdam niet nodig. ‘Dit pompwater was veel goedkoper en zomer en winter ijskoud. Toch moest de leiding verplicht worden aangelegd. En dat bleek uiteindelijk een voordeel toen de pomp mankeliek werd. De loodgieter die erbij werd geroepen schudde zijn hoofd. Hier was geen repareren meer aan. En dus werd het toch nog water uit de kraan.’

Arie werkte inmiddels al bij een bollenbedrijf. Hij begon als koffiejongen maar merkt daarover droogjes op: ‘Ik heb nooit een koffiepot gezien! Ik deed kleine klusjes op de tuin.’ Hij herinnert zich nog steeds dat zijn baas hem nooit bij de naam noemde. ‘Hij riep altijd: hé, joh! Ik was als de dood voor hem. Hij was een echte bullebak en ik was pas veertien jaar.’
Soms mocht hij met een mandje groente, tomaten, augurken en eieren naar de villa van de baas op de Bennebroekerweg. Dat vond hij een fijn uitstapje. De vrouw van de baas riep hem in de keuken en gaf hem een glaasje fris en een grote appel voor onderweg.

Hoe hij nu terugkijkt op die jaren aan De Tol? ‘Laatst kwam ik er nog eens voorbij en dacht: hoe hebben jullie het hier toch gered met zo’n groot gezin? Maar al met al hebben we er toch een leuke tijd gehad!’